Ik neem een krukje en zet me naast hem. Hij kijkt me schaapachtig aan en ik zeg: “hoe zit het? Gaan we nog een beetje werken vandaag?”

“Maar ik begrijp het niet.” Hij begrijpt het wel. Maar ik zeg: “goed, laten we eens samen kijken.” Ik maak een oefening met hem, toon hem stap voor stap hoe hij een som moet maken. Het kost me heel veel moeite maar we lossen samen één oefening op en dan nog één… Ondertussen word ik tot vijf keer toe onderbroken. Een paar leerlingen zijn al klaar. Ik had nochtans heel goed uitgelegd dat ze hun bundeltje op mijn bureau mochten leggen als ze klaar waren en dat ze dan hun leesboekje mochten nemen. Maar toch. Ik herhaal wat ze moeten doen en probeer verder te gaan met mijn uitleg.

Ik maak aanstalten om recht te staan want er zijn nog minstens vijf leerlingen bij wie ik moet nakijken of het wel lukt. Hij trekt aan mijn arm: “nee, juf, niet weggaan.” Ik zeg: “jij kan nu wel alleen verder, werk gewoon verder op dezelfde manier zoals we samen deden. Het zal wel lukken.”

Ik ben nog maar net bij het Poolse meisje gearriveerd of ik zie hem vanuit mijn ooghoek alweer rondlopen. Ik herhaal dat hij moet gaan zitten en verder werken. Hij gaat zitten. Ach verdorie, denk ik, terwijl ik naar het blad van het meisje kijk, het is toch weer niet juist. Ik neem twee fluo-stiften: geel voor plus en rood voor min. Ondertussen kijk of hij nu ook effectief terug aan het werken is. Hij is aan het krabbelen op zijn blad. Ik zucht en mijn oog valt op het blad van een ander meisje. Ze heeft nog maar een paar oefeningen gemaakt terwijl de grote helft van de klas ondertussen klaar is. Ik spoor haar aan om verder te werken. Ik kijk naar de klok. Het wordt tijd om aan de taalles te beginnen. De rest van de leerlingen die ik nog wilde helpen, zal zijn plan moeten trekken. Ik vraag vlug nog eens of het een beetje gelukt is. Ze bevestigen.

Over de middag, als ik aan het verbeteren zal zijn, zal ik zien dat het niet gelukt is en zal ik me schuldig voelen omdat ik geen tijd had om te helpen. Ik heb handen te kort. Elke dag opnieuw. Ik moet 22 kindjes leren lezen en rekenen. Ik moet ruzies oplossen, zorgen dat ze allemaal goed in hun vel zitten, onthouden wie in welke week bij mama of bij papa is. Ik moet graag zien maar ook grenzen bewaken. Ik moet vorderingen bijhouden. Ik moet zorgen dat wie niet helemaal mee is, toch kan bijbenen. Ik krijg daarvoor één keer per week vijftig minuten lang een extra paar handen.

Ondertussen denk ik aan mijn zoontje, die tot begin november samen met twee andere kindjes door één onthaalmoeder verzorgd werd en die tegen maart in een klas van dertig kindjes zit met één juf.

Ik denk dat er iets toch niet helemaal goed zit in ons onderwijs.